regiofair of "hoe de krachten van fair trade en lokale korte keten te bundelen"

Archive for the ‘boeren redden de wereld’ Category

Patattenprofessor Christos Kamenidis en Professor Jan Douwe van der Ploeg feesten mee met Geitenboerderij‏ De Levende Aarde (Alken) – zondag 16 september om 14u

with one comment

TIP: het interview met Remi Schiffeleers : Alléén op stal gehouden melkgeiten kunnen de Sahel nog redden

Jaarlijks lopen een aantal boeren stage op geitenboerderij De Levende Aarde in Alken. Dit jaar zijn onder anderen de twee jonge Grieken, Danielle en Yanko, te gast. Op 16 september, Dag van de Landbouw, nodigt de Levende Aarde “patattenprofessor” Prof. dr. em. Christos Kamenidis uit. Professor Kamenidis ging vorig jaar de Griekse crisis op eigenzinnige wijze te lijf, wars van de trojka. Samen met Professor Jan Douwe van der Ploeg, een autoriteit op het vlak van rurale sociologie, serveert hij alle ingrediënten voor een boeiende discussienamiddag.

Om deze solidariteitsactie kracht bij te zetten, nodigen ze ons uit op zondag 16 september om 14u met het volgende programma:

  • 14u Welkom – Bezoek aan de geitenboerderij
  • “De Griekse aardappelbeweging” door professor Christos Kamenidis
  • “De landbouwcrisis en de toekomst” door Prof. Jan Douwe van der Ploeg. Hoogleraar Rurale Sociologie, Universiteit Wageningen en Peking
  • Heerlijke Griekse keuken voor éénieder

Om een idee te hebben hoeveel patatjes er moeten worden geschild, vragen ze om in te schrijven voor vrijdag 14 september via telefoon of per mail :

  • Remi Schiffeleers: remyschiffeleers@hotmail.com of 011/31.40.17
  • Bart Thoelen: limburg@voedselteams.be of 0489/44 33 03

Maaltijd, inclusief solidariteitsbijdrage, kost 15 euro voor volwassenen en 8 euro voor kinderen.

Geitencoöperatief “De Levende Aarde” c.v.b.a.
Trakomula v.z.w.
Aardbruggenstraat 85, 3570 Alken

meer achtergrond en informatie

Griekenland haalt al geruime tijd alleen nog maar de media met trieste berichten. Het land zit gevangen in een neerwaartse spiraal. In de aanpak van de eurocrisis wordt het door de Europese instanties gedwongen om financieel de duimschroeven zwaar aan te draaien. Met als resultaat dat het economisch ook steeds meer aan de grond geraakt. De Griekse economie krimpt met 5 procent en meer per jaar.

Dupe zijn op de eerste plaats de gewone Grieken: werknemers, lagere ambtenaren, mensen met een uitkering, en ook de boeren. Hun inkomen smelt weg, maar de prijzen van voedingsproducten en andere dagelijkse goederen in grote winkels en supermarkten gaan fors omhoog. Armoede en verpaupering zijn het gevolg.

Maar de Griekse boeren laten het niet langer daarbij. In een half jaar tijd hebben ze een sterke en dynamische ‘Aardappelbeweging’ uit de grond gestampt.

Het begon in februari dit jaar in Thessaloniki. Omdat Griekenland aardappelen uit Egypte bleef invoeren en de eigen boeren met volle schuren in de kou liet staan, deelden aardappelboeren uit de regio tien ton van hun producten gratis uit. Deze protestactie was positief, maar niet effectief. Ze werd wél doeltreffend toen de boeren, met steun van onder anderen professor Christos Kamenidis, studenten en andere vrijwilligers, een aardappelverkoop op de campus van de universiteit van Thessaloniki organiseerden. Al op de eerste dag brachten ze daar voor 25 eurocent per kilogram of een derde van de (super)marktprijs 50 ton aan de man.

Het succes van die directe aanpak breidt zich snel uit over heel Griekenland. En ook andere landbouwproducten (groenten, rijst, bloem, olijfolie, honing enzovoort) vinden intussen zo hun weg naar de consumenten.

De ‘Aardappelbeweging’ is een win-winverhaal. Boeren die hard moeten werken voor hun oogst, krijgen nu een schappelijke prijs voor hun producten. Consumenten krijgen kwaliteitsvolle waar voor hun geld en zijn goedkoper af dan in de supermarkten. De lokale economie vaart wel bij deze verandering van de voedseldistributie. En door de nieuwe concurrentie van de boeren zijn de supermarkten zelfs gedwongen om hun prijzen voor veel producten stevig te laten zakken.

De ‘Aardappelbeweging’ is een inspirerend voorbeeld van korte-ketenlandbouw. Die kent ook in Vlaanderen en Wallonië meer en meer succes, met boeren die ecologisch en sociaal werken voor hun producten en die hun verse voedingswaren op markten en via andere kanalen rechtstreeks verkopen aan de consumenten. Die groeiende groep verbruikers wordt nu wel nog vaak gevormd door bemiddelde gezinnen en gepensioneerden die om ecologische, ethische of gastronomische redenen voor directe aankoop kiezen. Maar wat als dat laatste ook in ons land, zoals in Griekenland, voor meer en meer consumenten een financiële noodzaak wordt?

Terwijl Geitencoöperatief De Levende Aarde vanuit Alken al 30 jaar pioniert op het vlak van korte-ketenlandbouw, brengt de vzw Voedselteams groepen van mensen samen om rechtstreeks bij de boeren biologische groenten, vlees en andere streek- en seizoensproducten te kopen.

Voor beide initiatieven zijn er alvast redenen genoeg om solidair te zijn met de Griekse ‘Aardappelbeweging’. Daarom ontvangen Geitencoöperatief De Levende Aarde en vzw Voedselteams van 9 tot 17 september een afvaardiging van de beweging onder leiding van professor Christos Kamenidis. In Alken vervoegen zij dan overigens twee jonge Grieken, Yanko en Daniëlle, die daar al enkele maanden meewerken op de geitenboerderij.

Naar aanleiding van dit ontvangst is een intens uitwisselings- en solidariteitsprogramma uitgewerkt (zie hieronder).

De apotheose vindt plaats op zondag 16 september met een Grieks Solidariteitsfeest op de geitenboerderij De Levende Aarde in Alken (Aardbruggenstraat). Tijdens dat feest – vanaf 14 uur en met Griekse keuken – vertelt professor Christos Kamenidis over de ‘Aardappelbeweging’. Ook professor Jan Douwe van der Ploeg van de Universiteit Wageningen zal het woord voeren over uitwegen voor de landbouwcrisis. Van der Ploeg is de auteur van het boek ‘De virtuele boer’ en werkt samen met Chinese en Braziliaanse collega’s aan onderzoek naar plattelandsontwikkeling in Europa, China en Brazilië.

Heeft u belangstelling om deel te nemen aan een van de activiteiten van het programma of wenst u een interview met professor Christos Kamenidis, andere leden van de Griekse delegatie, of met professor Jan Douwe van der Ploeg? Dat kan perfect geregeld worden. Graag contact nemen met Remi Schiffeleers van De Levende Aarde (011/314017) of met Bart Thoelen van Voedselteams (0489/443303).

De griekse delegatie:

Christos Kamenidis, Professor of Agricultural Marketing & Cooperatives Department of Agricultural Economics
Aitsidou Vassiliki (Vasso), Aghricultural Economis M.Sc. Student in Agricultural Economics
Ramnali Paraskevi (Evi), Agronomist, M. Sc. Student in Agricultural Economics
Christoforiodu Marina, Mechanical Engineer, Secretariat of the Polytechnic Faculty
Christoforidis Alexandros, 6th year student of the High School (Lykio) Assistant of the team

De aardappelbeweging op het web:

http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2012/06/12/griekse-aardappelbeweging-wint-aan-kracht

http://www.mo.be/artikel/griekse-aardappelbeweging-wint-aan-kracht

http://www.thenewathenian.com/2012/06/activist-movement-could-spell-big.html

http://usuryfree.blogspot.be/2012/06/greeces-potato-movement-grows-in-power.html

http://www.demorgen.be/dm/nl/990/Buitenland/article/detail/1411042/2012/03/19/Griekse-aardappelbeweging-recht-van-boer-naar-consument.dhtml

Over een recente aardappelactie in Amsterdam: http://www.biojournaal.nl/nieuwsbericht_detail.asp?id=8092

de faire melk: Nederland doet wat Vlaanderen niet (ver)mocht – deel 1

leave a comment »

In Nederland startte C1000 maandag 7 november 2011 met de verkoop van ‘De faire melk’ dagverse Fairtrade Chocolademelk. Dit is de eerste fairtradechocolademelk in de supermarkt. De faire melk is een initiatief van de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV). Zie ook hun facebook-pagina.

Door het kopen van De faire melk Fairtrade Chocolademelk zorgen klanten ervoor dat koeien gegarandeerd weidegang hebben en de Nederlandse deelnemende boeren een meerprijs voor hun melk krijgen. Bovendien ontvangen boeren in derdewereldlanden een eerlijke prijs voor de cacao (Peru) en de rietsuiker (Mauritius) die in de chocolademelk is verwerkt.

wat vooraf ging in België

Op 10 oktober 2008 werden de derde BE FAIR Awards uitgereikt. De winnaars gingen elk naar huis met een chèque van 5.000 Euro. De Limburgse melkveehouder Johan Janssen uit Opglabbeek stuurde onderstaand kandidaat-dossier in voor de Belgian Dairy Board.

De Belgian Dairy Board vertegenwoordigde 1800 melkproducenten. BDB klaagde de uitbuiting aan van de zuivelindustrie, die de melkproducenten een zulke lage prijs betaalt dat zelfs de productiekosten niet gedekt zijn – hetzelfde verhaal dus dat de Noord-Zuid beweging inspireerde tot de ontwikkeling van Fair Trade. BDB wilde middelen verzamelen om het nieuwe merk “Fair Dairy Products” – een gamma zuivelproducten waar de melkproducent een faire prijs voor zou krijgen te lanceren.

Het dossier werd weerhouden… maar kwam niet in aanmerking voor de Award. Helaas waren ook de Oxfam-Wereldwinkels, noch Max Havelaar gecharmeerd en stierf het initiatief een stille dood.
Enkele initiatieven uit andere hoeken zagen het licht, echter geen van alle met de impact die dit plan had kunnen verwezenlijken. In Nederland neemt Max Havelaar nu dus gelukkig wél de handschoen op.

  1. Délimel: 18 Belgische melkveebedrijven gaan zelf melk verkopen aan Lidl en Champion
  2. Galaxy: Colruyt verkoopt verse melk van drie landbouwers
  3. Fairebel: slap afkooksel van faire melk zónder Max Havelaar-keurmerk

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

I – Voorstelling van het dossier

Ontstaan

Met 4,5 miljard euro bereikte de omzet van de zuivelindustrie in 2007 een nooit eerder geziene piek, ongeveer een vijfde hoger dan het jaar voordien.

De export groeide met 23 procent tot 2,3 miljard euro. De uitvoer naar derde landen steeg zelfs met 73 procent tot ongeveer 400 miljoen euro. Maar wie hoog klimt, kan laag vallen. En dat valt vooral de boeren heel zwaar.

De BDB wil de zuivelorganisaties laten weten dat de melkveehouders niet langer het verlies willen lijden zonder dat de toevoer van (goedkope) melk in het gedrang komt. (Wij verliezen nu tussen de 6 en 25 procent op ons product)

De BDB vertegenwoordigt vandaag meer dan 1800 van de 7000 Belgische melkproducenten. De BDB is er voor en door de melkveehouders.

Wij staan in het beroep en in de organisatie. Daarom is het bijzonder belangrijk dat wij ons zo organiseren dat we in permanent overleg kunnen werken met zoveel mogelijk leden, in zo professioneel mogelijke omstandigheden. Deze manier van werken onderscheidt de BDB volledig van alle andere zogezegd vertegenwoordigers van de melkproducenten.

Op 30 mei 2008 organiseerden de Belgische melkveehouders in alle provincies manifestaties om aan te tonen dat zonder bemiddeling hun beroep en producten binnen enkele jaren zullen verdwijnen. Onder het oog van nationale en regionale media brachten vertegenwoordigers van de BDB hun standpunten over aan de massaal opgekomen politici.

Eerste minister Yves Leterme beloofde ondertussen om een einde te maken aan de oneerlijke winstverdeling in de voedselketen. Zijn beloftes komen deels tegemoet aan de BDB -doelstellingen. Hij deed zijn uitspraken op de actiedag voor faire land- en tuinbouwprijzen op 18 juni in Brussel.

Leterme beloofde om een prijzenobservatorium in het leven te roepen en snel werk te maken van meer prijs- en winsttransparantie in de voedselketen. Er is al tien tot vijftien jaar sprake van een oneerlijke winstverdeling, waarbij de basisproducent systematisch tekort wordt gedaan.

De BDB stelt vandaag vast dat:

  • Melkerijen economisch gestuurd worden vanuit:
    • – de zuivelproducenten
    • – de transportindustrie
    • – de groothandel
    • – de supermarkten en detailhandels
  • En dat bij dezen ook de bewust unfaire en scheefgegroeide winst ligt.

De boeren moeten voor eigen distributie gaan zorgen

De door ons aangestelde bazen, de coöperaties, blijken niet in de positie om melk tegen aan kostendekkende prijzen te verhandelen. Wij, de eigenlijke bazen, maar nu afhankelijk gemaakte boeren, kunnen niet voor de huidige marktprijs werken omdat onze kostprijs daarboven ligt.

De BDB weet dat een oplossing alleen gevonden kan worden door een samenwerking tussen alle spelers in de markt. Daarom geeft de BDB de aanstoot tot een zodanige samenwerking, door zelf eindproducten, door middel van een nieuw bedrijf in oprichting “Fair Dairy Products?”, in de markt te gaan zetten en die zal aantonen dat een faire melkmarkt mogelijk is. Hierbij is de melkproducent niet langer afhankelijk van de volatiele marktprijs die hij voor zijn basisproduct (de ruwe melk) krijgt en waar hij geen greep op heeft, maar zal hij mee profiteren van de marges die in de detailhandel worden gegenereerd uit afgewerkte zuivelproducten.

Het doel zal bereikt worden omdat noch consument, noch de producent de rekening moet betalen van een scheefgegroeide situatie. Er wordt immers genoeg geld verdiend in de zuivelketen, het is alleen slecht verdeeld. Dat is de boodschap die wij de eindconsument zullen meegeven via de producten, die wij hem via de gewone distributiekanalen (de supermarkten) zullen aanbieden.

De BDB herhaalt het steeds weer. We willen veranderingen bekomen door inzicht te verlenen en begrip te wekken.

Tijdens onze acties ter gelegenheid van de Wereldmelkdag op 30 mei laatsT leden heeft BDB duidelijk gezegd dat de faire melkprijs niét betekent dat de consument meer zal moeten betalen. Wat ons momenteel te weinig betaald wordt – om die faire melkprijs te realiseren – kan volgens ons probleemloos gehaald worden uit de overwinsten die in de zuivelindustrie gemaakt worden. Ook dat zullen we aantonen door onze producten in de winkelrekken te zetten.

Troeven

  • Wij kiezen voor de dialoog en samenwerking met de industrie en de samenleving. Een diepgaande studie van de winsten die gemaakt worden in de keten, geeft de BDB een uitgebreide kennis van de melkketen.
  • Wij zijn rechtstreeks belanghebbenden in het prijsverhaal en alzo werklustig en strijdvaardig.
  • Wij geven de consument terug een gezicht bij de zuivelproducten die hij koopt door de inplanting van onze bedrijven in het landschap kunnen we onze boodschap, door het toepassen vang “guerrillamarketing” voortdurend en effectief overbrengen.

Kortom, onze strategische doelstellingen zijn

  • een kostendekkende melkprijs,
  • een faire prijs voor een fair product,
  • eerlijke informatie aan de consument.

II . Belangrijkste sector waarin de activiteit ontwikkeld wordt en onderzoek van de markt

Als consument heeft men er belang bij om zo goedkoop mogelijk in te kopen. Dit kan echter snel ten koste gaan van de producent. Bijzonder duidelijk wordt dit zichtbaar bij het steeds verder dalende inkomen van de boeren in de ontwikkelingslanden. Hier hebben de consumenten gereageerd en kiezen in versterkte mate voor produkten uit de “eerlijke” handel de zgn. “fair trade”. In Europa zijn echter ook boeren. Waarom zouden zij ook niet van de eerlijke handel profiteren?

De huidige zuivelmarkt: 3% ten opzichte van 97%

De door ons aangestelde bazen van, de coöperaties, blijken niet in de
positie om melk tegen een kostendekkende prijs weg te krijgen. Wij, de eigenlijke bazen, maar nu afhankelijk gemaakte boeren, kunnen niet voor de marktprijs werken omdat onze kostprijs daarboven ligt.

De BDB wil in een situatie komen waarin de verwerkende sector vragende partij is om het systeem te veranderen, om zo zijn winsten te consolideren. Dat kan alleen door een doordachte strategie te volgen.

Wanneer we als melkveehouder aan de zuivelindustrie duidelijk maken dat onze melkprijs te laag is, verwijst deze zuivelindustrie steeds naar de lage prijzen van drinkmelk in de winkels en groot warenhuizen (waardoor ze dus niet in staat zouden zijn meer te betalen).

Maar, drinkmelk maakt slechts 3 % uit van het totale kapitaalsvolume dat in de melkketen wordt omgezet. Met andere woorden: de overige 97 % producten van de melkstroom (kaas, boter, yoghurt, melkpoeder, room, desserten, e.d.) worden in dit debat bewust niet betrokken, terwijl net daar wél forse winsten gemaakt worden.

Bovendien wordt de consumentenprijs van drinkmelk binnen deze strategie BEWUST laag gehouden, om het hierboven beschreven mechanisme ten volle te laten spelen. Niet alleen de doorsnee consument, maar ook de meeste melkveehouders hebben van dit mechanisme helemaal geen weet.

De kapitaalkrachtige zuivelindustrie die internationaal georganiseerd is, deed er alles aan om de consument niets te laten merken van de staking. Zij kon de melkstroom voor drinkmelk intact houden. Maar drinkmelk is maar 3 procent van de melkstroom. De zuivelindustrie voert nu campagne zodat de consument alleen aan drinkmelk denkt maar ondertussen maakt de zuivelindustrie wel winst op de resterende 97 procent. Noch de boeren, noch de coöperaties hebben tot op heden gezorgd voor producten met toegevoegde waarde waaraan consumenten graag 10 tot 20 keer zoveel uitgeven als aan melk.

Dat willen we veranderen.

Anticiperen op markttrends

Het verleden geeft onze werkwijze gelijk. Landbouwsyndicaten hebben al actie gevoerd. Maar omdat de structuur niet in vraag werd gesteld, heeft dat nergens toe geleid. Meer volume draaien en zo toch nog wat verdienen bij een steeds lagere melkprijs, deze situatie willen wij verhelpen.

Als rechtstreeks belanghebbenden gaan we de verwerkende industrie nu zelf de opdracht geven producten met een hoge toegevoegde waarde op de markt te brengen. Komen de winsten (nog) niet uit de grondstof, dan gaan we de winsten genereren uit de afgewerkte producten. Wij positioneren ons bewust in het hoogste marktsegment: die van de kwaliteitsproducten, waarbinnen een eerlijke winstverdeling nog mogelijk is.

Neem enerzijds de gezonde melkdrankjes als die van Danone en Yakult: de Franse Amerikanen van Danone en de Japanners van Yakult gaan er met de winsten vandoor.

Of gewoonweg kaas: je kunt maar liefst 10 liter melk kwijt in 1 kilo. Als producenten beseffen we nu dat onze toekomst ligt in innoverende producten, waarbij de winsten in eigen regio blijven.

Anderzijds wordt de consument zich steeds meer bewust van de scheve handelsverhoudingen op de (wereld)markt. Zo zit de markt voor fairtradeproducten uit het Zuiden hier in de lift en is een steeds groter segment van de consumentenmarkt bereid de meerwaarde van kwalitatieve, eerlijke producten te vergoeden door een eerlijke prijs te betalen.

Uiteraard zijn wij ook vertrouwd met de hoeveverkoop, boerenmarkten of andere vormen van rechtstreekse verkoop aan de consument. Wij doen dat zelf al.

Maar de producent heeft zijn handen al vol aan het produceren van zijn kwalitatieve producten en de consument wil meer kant en klare maaltijden.

Er hoeft niets mis te zijn met de bestaande verkoopsstructuren. De succesvolle introductie van het Max Havelaar-keurmerk in de supermarkten heeft aangetoond dat eerlijke handel langs en in de bestaande distributie mogelijk is. Het zwakste punt is dat de producent op zichzelf niet op kan tegen de grote marktmacht van de supermarktketens. Supermarkten werken internationaal samen, terwijl dat aan de producentenkant amper gebeurt. Daardoor kunnen grootwinkelbedrijven bepalen wat er tegen welke prijs in de schappen komt. Ook in de tussenhandel en tussen de traditionele coöperaties vinden steeds meer fusies plaats. Door samen te gaan werken met de distributiesector en eigen producten in de rekken te plaatsen kunnen we de fouten uit het systeem halen en de winsten evenredig gaan verdelen. Naïef? Niet echt, want we hebben onze eerste voet al binnen in een belangrijke supermarktketen. Zij beseffen dat de consument dit gaat belonen.

Concurrentie

Wij gaan in eerste instantie niet uit van de concurrentie, maar van de eigen kracht. “Fair Dairy Products” is een sterk merk. De distributiesector komt onder steeds grotere maatschappelijke en politieke druk te staan om maatschappelijk verantwoord te ondernemen.

Onze producten worden gezien als een manier om te bewijzen dat het hun menens is met het ethische imago dat ze zich steeds meer blijken willen aan te meten. In gesprekken die we binnen de marketingsector hebben, wordt ons merk nu al vergeleken met (een voor de rest in niets te vergelijken merk) “Red Bull”.

Om het met de woorden van Lily Deforce, algemeen directeur bij Max Havelaar Belgium, te zeggen: “Supermarkten kunnen op deze manier een bijdrage leveren aan meer eerlijke handel, het geeft invulling aan hun wens naar meer maatschappelijk verantwoord ondernemen, en aan de wens van de klant voor meer ethiek.”

Wat wij leerden uit de Fair Trade.

Twee voorbeelden uit de fair trade met het Zuiden, die bewijzen dat het mogelijk is om langs de supermarkten ook de zuivelindustrie te doen bewegen naar faire handel:

1. De acties van de vrijwilligersbeweging Oxfam Wereldwinkels in de jaren negentig van vorige eeuw en de introductie van bananen met het Max Havelaar-keurmerk hebben aangetoond dat dit een multinationaal voedingsbedrijf als Chiquita ethischere paden kan doen bewandelen. Het fairtradegedachtegoed heeft de markt aangestuurd en de multinational tot een ethischer antwoord gedwongen.

2. In Groot-Brittanië heeft de Ghanese cacaocoöperatieve “Kuapa Kokoo” (met haar 45 000 leden) met groot succes twee eigen merken, Divine en haar zustermerk Dubble, in de markt gezet. Het promoot haar eigen merk op zich, maar ook de fairtradegedachte in het algemeen en zet zo grote chocolademerken aan zich tot fair trade te bekeren.

Grote supermarktketens zetten er, door hun unieke in -en verkoopspositie, merken en industrie aan tot meer eerlijke handel door resoluut de voorkeur te geven aan producten uit de fair trade.

III – Verantwoording

Wat door fair trade in gang is gezet, laat zich het beste omschrijven als een geleidelijke overgang van de pure markteconomie naar een verdragseconomie. Maar anders als bij producentenkartels worden de hogere prijzen voor de producenten niet achter de rug van de
consumenten om, maar op basis van wederzijdse overeenstemming vastgesteld.

De idee wint veld om het concept fair trade te verbreden: van een focus op eerlijke Noord-Zuid handel naar eerlijke regionale handelsmarkten, zowel in het Zuiden als in het Noorden.

Lokale landbouwalternatieven in het Noorden kunnen ook voorbeelden zijn van eerlijke handel, wordt gesteld. Het fairtradeconcept, vandaag enkel gebruikt voor producten uit het Zuiden, kan uitbreiden tot duurzame productieketens in het Noorden. Daar horen ook Vlaamse boeren bij, vindt bijvoorbeeld Vredeseilanden.

Dat vinden wij logisch. Bij de prijstoeslag die gehanteerd wordt bij de eerlijke handel voelen immers de consumenten én producenten zich
verantwoordelijk voor elkaar. De gevolgen van oneerlijke handelsverhoudingen voor de producenten in het Zuiden blijven voor de Belgische consumenten echter veelal onzichtbaar. Door ook Belgische producenten een plaats te geven binnen de fair trade kunnen we dit verhaal een nog beter gezicht geven. Verder is het vinden van “faire” afzetkanalen ook voor familiale boeren hier dikwijls een uitdaging.

Maar is het zinvol om ook hier over “fair trade” te spreken, dezelfde fair-trade criteria te hanteren, waar de uitdagingen op het vlak van duurzame landbouw en vermarkting hier van een andere orde zijn dan in het Zuiden? Wij geloven van wel. Eerlijke handel is ook voor boeren hier een belangrijk thema, niet alleen naar eigen inkomen toe maar ook solidariteit tussen boeren hier en boeren in het zuiden is voor hen belangrijk en wordt dikwijls over het hoofd gezien.

Hoe wij willen samenwerken met de fairtradebeweging

Oxfam-Wereldwinkels verkoopt chocomelk. Wij zijn bereid hierrond samen te werken.

Verder hebben wij reeds onze diensten en samenwerking aangeboden aan de campagne FairTradeGemeenten (FTG) en deze heeft hier positief op gereageerd. Bij deze verbinden wij ons als Belgian Dairy Board ertoe om het zesde criterium van de FTG-campagne mee te versterken. Concreet verplichten onze leden zich ertoe, door lid te zijn van BDB, om waar er in hun gemeente FTG-trekkersgroepen zijn, hiermee te gaan samen werken. Wij geloven dat dit een stevige boost kan geven aan het verwezenlijken en duurzaam voortzetten van initiatieven van dit criterium.

Om FairTradeGemeente te worden, wordt in de gemeente een nieuw initiatief gelanceerd dat lokale consumptie en productie van duurzame voedingsproducten stimuleert. Er wordt over dit initiatief duidelijk gecommuniceerd. Om de titel te behalen én te behouden, wordt ofwel een meerjareninitiatief (*) opgestart, ofwel een kortlopend project met garanties dat er jaarlijks een nieuw initiatief genomen zal worden dat duurzaam consumeren en produceren aanmoedigt.

(*) een initiatief dat duurzaam consumeren en produceren gedurende meerdere jaren promoot. Ter ondersteuning van dit meerjarenplan wordt op regelmatige tijdstippen duidelijk over initiatief gecommuniceerd.

Daarnaast hebben we afspraken gemaakt met Oxfam-Solidariteit België in Brussel. Zij hebben zich de voorbije twee jaar ingewerkt in het melkdossier.

Aangezien de campagne van Oxfam-Solidariteit over een betere toekomst voor de boeren in Zuid én Noord gaat, lag een samenwerking voor de hand. Op Pukkelpop (Kiewit-Hasselt) kregen de Oxfam-campagneteams
van “Stop de koehandel met melk!?”
de steun van de Belgian Dairy Board. Hier haalden we al veel pers. Maar wij zullen elkaar blijven versterken door het verder in kaart brengen van de malversaties in de
zuivelsector en elkaars acties in deze ondersteunen. Want laten we duidelijk wezen, ook wij worden ziek van de overschotten (die wij omwille van de marktsituatie gedwongen zijn te produceren) welke vanuit Europa in Afrika worden gedumpt onder de vorm van goedkoop melkpoeder.

Wij zijn zondermeer solidair met de Afrikaanse melkboeren, die door dit systeem van oneerlijke handel uit de markt worden geduwd. Wanneer Manneke Pis op 30 mei j.l. melk piste omwille van de in Afrika door de wereldmarkt veroorzaakte problemen, waren wij erbij om Dierenartsen zonder Grenzen hierin te steunen.

Mondiale eerlijke handel: van “transfair” naar “regiofair”

In tijden van globalisering heeft iedere vermenging van staats- en economische belangen catastrofale gevolgen. Hybride structuren zoals de WTO, waar politieke vertegenwoordigers over economische vragen zoals subsidies en importheffingen beslissen, hebben tot escalatie van de spanningen tussen Noord en Zuid geleid. Een alternatief daarvoor is een regionale fair trade, waar prijsproblemen tussen producenten en consumenten – dat wil zeggen binnen de economie zelf – met wederzijds goedvinden opgelost worden. In Duitsland werd voor de mondiale eerlijke handel de term “transfair” uitgevonden. Hoe zou het zijn, wanneer wij – als uitbreiding daarvan – van “regiofair” zouden spreken?

Meer prijstransparantie

De naam regiofair alleen is niet genoeg. De Europese consument associeert ontwikkelingslanden spontaan met armoede. De situatie van de eigen landbouw stelt hij zich beduidend minder dramatisch voor. Hij ziet daar niet zo gemakkelijk de noodzaak om niet alleen naar het eigen belang te kijken. Maar wat als hem de cijfers ter inzage gelegd zouden worden?

Wij consumenten zijn met zijn allen meesters op het gebied van de prijsvergelijking. Tot nu toe kunnen wij echter alleen eindprijzen vergelijken. Geheel anders zou het zijn, wanneer naast de winkelprijs nog aangegeven zou worden welk aandeel daarin de boeren, verwerkende industrie, transport, groothandel en detailhandel hebben.

Bij een dergelijke prijstransparantie laat zich snel vaststellen of de prijs niet toevallig ten koste van de lokale boeren verlaagd is. Dat zou nog eens “consumentenopvoeding” zijn. Wel, precies dat is wat we gaan doen.

De woorden van Dirk Barrez indachtig

Een van de zwakke kanten van de fairtradebeweging is dat ze tot nu toe vooral focust op de handelsrelaties tussen rijke en arme landen, gemakshalve aangeduid als Noord en Zuid. Er is wel
een evolutie naar ecologische duurzaamheid en dus ontdekt deze beweging het belang van een lokale korteketenproductie. Voor een goed begrip, lokaal kan variëren van werkelijk heel dichtbij tot zelfs een bijna continentale markt.

Zeker in het Zuiden lijkt de eerlijke handelsbeweging die lokale handel als fair trade te omarmen. Maar als het in het Noorden om kort keten gaat, wil men daar niet meteen de term fair trade op kleven. Toch is er geen fundamenteel verschil. De fairtradebeweging zal goed haar huiswerk moeten maken.

Bron : het boek “Koe 80 heeft een probleem” door Dirk Barrez

Tot slot over de definitie van Fair Trade

De enige definitie die unaniem door alle fairtrade-actoren wordt erkend, is erg kort – minder dan een halve bladzijde – en werd in 2001 door de fairtrade-organen, verenigd in de internationale FINE-groep (informeel netwerk dat in 1998 werd opgericht en waarin de vertegenwoordigers van Fair Trade-netwerken elkaar ontmoeten voor de uitwisseling van informatie en de coördinatie van de activiteiten), goedgekeurd.

“Fair Trade is een handelspartnerschap, gebaseerd op dialoog, transparantie en respect, dat streeft naar meer gelijkheid in de internationale handel. Het draagt bij tot duurzame ontwikkeling door betere handelsvoorwaarden aan te bieden aan en de rechten te verzekeren van gemarginaliseerde producenten en arbeiders, vooral in het Zuiden.”

Deze definitie vermeldt nergens een expliciete verwijzing naar “het Zuiden”. Wij mogen ons dus aangesproken worden!

IV – Commercieel en technisch onderzoek + marketingplan

Dit deel werd gedetailleerd voorgesteld aan de jury van de Fair Trade Award. Omwille van privacy- en commerciële redenen geven we het hier echter niet vrij.

marketingsuggesties, aflevering 8: Peter Boonen steekt fair trade met Noord én Zuid in een yoghurtpotje

leave a comment »

Lees ook op deze blog: Peter Boonen en zijn Achelse Blauwe

het gaat goed met kaasmaker Peter Boonen van Catharinadal

Dit artikel verscheen in W2, het magazine voor de Wereldwinkeliers, mei 2011.

KLIK OP BLADZIJDE VOOR GOED LEESBARE WEERGAVE

KLIK OP BLADZIJDE VOOR GOED LEESBARE WEERGAVE

HET BEELD WAARMEE DE CAMPAGNE 'IK BEN VERKOCHT' MEE WERD OP GANG GESCHOTEN

VANDAAG HEET DEZE CAMPAGNE 'FAIRTRADEGEMEENTE; PETER IS ACTIEF IN HAMONT-ACHEL

bericht uit Colombia, van kameraad Marc: zaadsoevereiniteit in de praktijk

leave a comment »

Hasselaar Marc Leyman, verruilde een aantal jaren geleden Kuringen voor Restrepo, Colombia. Hij stuurt ons achterblijvers af en toe een nieuwsbrief.

Het recupereren van oude rassen en varieteiten is niet gemakkelijk. Het is opboksen tegen de grote zaadmaatschappijen, een gevecht van David tegen Goliat. De prijzen van de klassieke grondstoffen blijven laag voor de producerende boer. Kleine boeren moeten optornen tegen lage kostprijzen van de grote industriele boerderijen en de dumpingsprijzen van de invoer. Dat is geen gunstig klimaat om bijvoorbeeld rustieke mais varieteiten te propageren. Toch zegt de praktijk dat het de moeite loont. Twee voorbeelden uit de dagelijkse praktijk van Amuc-Restrepo ( de lokale landbouworganisatie voor kleine boeren in Restrepo, Colombia) geven de omstandigheden weer waarin de praktijk van de zaadsoevereiniteit zich afspeelt.

CIAT en kleine boeren

Het CIAT, Centro Internacional de Agricultura Tropical, beschikt in zijn zetel te Palmira, Cali over een unieke verzameling genetisch materiaal van bonen, maniok en voedergewassen (forrestales). 62000 verschillende varieteiten van 720 soorten staan ter beschikking van belangstellenden. Deze internationale organisatie is verplicht deze zaden gratis ter beschikking te stellen aan de geinteresseerden. De praktijk in het verleden heeft geleerd dat kleine boeren amper of niet gebruik maakten van deze dienst. Je moet bijvoorbeeld al een internetverbinding hebben om je bestelling te plaatsen. Amuc bundelt de vraag van de aangesloten leden en plaatst dan de bestelling. het verkrijgen van die zaden kadert in een programma voor grondverbetering.

Wat betekent dat? Een boer is niet geinteresseerd in de aanschaf van een bonensoort die hij daarna niet verkocht krijgt.

Maar het klinkt hem goed in de oren dat hij de meststoffenhoeveelheid aanzienlijk kan verminderen door zijn mais te combineren met bijvoorbeeld het “rijstboontje” (frijol de arroz). De kleine bonensoort is niet commercieel maar is een uitstekende grondverbeteraar en een goed voeder voor het vee.

Otto, de kleine boomtomaat

Sinds een paar jaar doe ik, in opdracht van de organisatie, wat onderzoek naar een kleine boomtomaat die blijkbaar alleen in deze regio te vinden is. Boomtomaten zijn zuurzoete vruchten (tamarillo) die in de Colombiaanse keuken voornamelijk als vruchtensap worden verwerkt. Internationaal is er weinig belangstelling voor wegens een wat scherpe nasmaak veroorzaakt door zuren onder de schil. Otto daarentegen is veel zoeter, maar veel kleiner. Deze vrucht wordt door de plaatselijke bevolking in stand gehouden en enkel gebruikt voor eigen comsumptie.
Dat het hier om een aparte varieteit gaat, was rap duidelijk.

Verschillende instellingen toonden interesse. Maar de afspraak met de organisatie is dat de verworven kennis eerst gedeeld wordt binnen de leden van de organisatie. Zij zijn tenslotte de protagonisten van deze spontane, natuurlijke kruising. De ‘ouders’ zijn onbekend, om het met de termen van Bienestar Familial (Kind en Gezin) te zeggen, het gaat hier om een bastaard. Maar wie is eigenaar van deze beloftevolle speling van de natuur? De Colombiaanse wetgeving laat geen patentering toe. Planten zijn van de mensen. Maar wat betekent dat in de praktijk? De fruitsapindustrie heeft net een frisfrank op de markt gebracht op basis van de klassieke boomtomaat, maar zou wellicht in een zoetere varieteit geinterresseerd zijn. Die zoetfactor is misschien in de varieteit Otto te vinden. Een kruising of genetisch gemanipuleerde soort behoort tot de mogelijkheden, en dat is wel patenteerbaar.

In de praktijk zoekt de organisatie naar artesanale verwerking van de vruchten. De massale productie van deze boomtomaat is niet van zelfsprekend wegens teelttechnische problemen. Maar dat is net een factor in het voordeel van de kleine boeren. Beperkte productie per producent gekoppeld aan een niche-markt van verwerkt vruchtenpulp moet er voor zorgen dat de kleine boeren deze productie zo lang mogelijk in eigen handen kunnen houden zonder zich te moeten verkopen aan de verwerkende industrie. Een uitdaging voor de nabije toekomst.

Restrepo, Colombia. 17 april 2011.
Marc Leyman.

Written by hallometsteven

april 20, 2011 at 1:10 pm

Wie voedt de wereld? De waarheid is dat we geen agrobusiness nodig hebben.

leave a comment »

Het is soms moeilijk om je niet overweldigd te voelen door de groeiende macht van de multinationals in het voedselsysteem. Wat vooral deprimerend is, is dat deze expansie gebouwd is op de vernietiging van lokale voedselsystemen.

 

Desondanks is dit door multinationals beheerste voedselsysteem niet alomtegenwoordig. Het is zelfs zo […] dat de meeste boeren er geen deel van uitmaken en de meeste mensen worden er niet door gevoed. Over heel de wereld, worden de fundamenten gelegd voor een geheel ander voedselsysteem en wereldwijd maken bewegingen opgang en winnen ze aan invloed, waar ze de regionale productie nieuw leven willen inblazen en het huidige systeem afbouwen.

Lees : Global agribusiness: two decades of plunder, gepubliceerd door GRAIN.

Eerder hier verschenen : een aangename waarheid – familiale landbouw kan de wereldbevolking voeden

Written by hallometsteven

oktober 22, 2010 at 7:53 am

de ‘tien stelregels van de duurzame landbouw’, opgesteld door José Bove (uit: “De wereld is niet te koop – en ik ook niet!”)

leave a comment »

In Frankrijk stond op 12 augustus 1999 een schapenfokker en politiek activist, genaamd José Bove, aan het hoofd van een groep demonstranten die een in aanbouw zijnde McDonald’s in zijn geboortestad Millau met de grond gelijk maakte. Zijn opstandige houding, zijn korte verblijf in de gevangenis en zijn hartstochtelijke toespraken tegen dat ‘smerige eten’ maakten hem tot een Franse volksheld. Hij werd geprezen door zowel socialisten als conservatieven en uitgenodigd voor gesprekken met de president en de eerste minister.

Hij schreef een bestseller getiteld “De wereld is niet te koop – en ik ook niet!” Daarin vond ik deze ‘tien stelregels van de duurzame landbouw’, opgesteld door Bove’s Boerenfederatie. Om van buiten te leren!

stelregel 1: De productie zo verdelen dat het maximale aantal mensen als boer werkzaam kan zijn – het recht op productie omvat ook het recht op werk en het recht op een inkomen.

stelregel 2: Solidariteit met boeren in de rest van Europa en de wereld.

stelregel 3: Respect voor de natuur. De natuur moet worden beschermd om het gebruik ervan door volgende generaties veilig te stellen.

stelregel 4: Een herwaardering van hulpbronnen die in overvloed aanwezig zijn en bescherming van schaarse hulpbronnen.

stelregel 5: Transparantie bij alle transacties – koop, productie, verwerking en verkoop – van landbouwproducten.

stelregel 6: Garanties voor de kwaliteit, smaak en veiligheid van de producten.

stelregel 7: De hoogste autonomie bij het beheer van de boerderijen.

stelregel 8: Samenwerking met anderen die op het platteland wonen.

stelregel 9: Het behoud van de diversiteit van de dieren die worden gefokt en de planten die worden gekweekt. Zowel om historische als economische redenen moeten we de biodiversiteit bewaren.

stelregel 10: De context op lange termijn en de mondiale context altijd voor ogen houden.

Deze tien principes samen vormen de basis voor duurzame landbouw; ieder principe op zich is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van duurzame landbouw.

een aangename waarheid over de échte groene revolutie: boeren redden de wereld – familiale landbouw kan de wereldbevolking voeden

with 3 comments

surf ook eens naar : http://fairtradekookboek.wordpress.com


Voorbeelden uit o.a. Afrika bewijzen dat kleine familiale landbouw meer kan opleveren dan grootschalige, zonder grote nood aan kapitaal, aldus Engelen. Hij pleit ervoor om voedsel niet te behandelen als gelijk welk handelsgoed, al was het maar voor het strategisch belang.

Jan Aertsen van Vredeseilanden schreef een opiniestuk over de problematiek van de stijgende voedselprijzen. Je kan zijn collega Gerd Engelen hierover horen op een podcast door Radio Centraal Antwerpen.

• 2,5 miljard mensen leven van de landbouw en zijn perfect in staat om iedereen genoeg te laten eten.
• Industrieland Zuid-Korea besteedt een groter deel van zijn budget aan landbouw dan de meeste Afrikaanse landen.
• Ofwel eten, ofwel klimaatverandering bestrijden: een valse tegenstelling.
• Het is een aangename waarheid: de familiale landbouw kan de wereldbevolking voeden.
• Ook bedrijven dragen een cruciale verantwoordelijkheid.
• Met een mondiale voedselvoorraad van slechts veertig dagen is er geen tijd meer om keuzes uit te stellen.

Maakt u zich zorgen over de voedselcrisis? Dat zou niet moeten want eigenlijk is de oplossing voor de voedselcrisis heel eenvoudig. Lees even mee voor u ons gek verklaart. In de wereld leven 2,5 miljard mensen van de landbouw, boeren, boerinnen en hun kinderen. Zij zijn perfect in staat om de wereld van voldoende voedsel te voorzien. Overal waar boerenfamilies over voldoende en goede grond beschikken en over de middelen om te investeren in een productieve landbouw, leveren zij ronduit schitterende prestaties. Zij kunnen de oplossing bieden voor de stress die wij met z’n allen de voorbije decennia door de wereld jagen: we hebben de landbouw en de boeren aan hun lot overgelaten, de voedselproductie doen stokken, de prijzen laten stijgen alsook de honger en de ondervoeding; eerder nog vullen we onze benzinetanks met zogenaamde biobrandstof dan mensen te laten eten. Tot voor kort heerste honger vooral op het platteland. Nu raken zelfs de steeds talrijker arme stadsbewoners niet langer aan betaalbaar eten.

Een aangename waarheid

Maar het kan anders, en veel beter. Kleine en middelgrote boerderijen produceren in heel de wereld voor de lokale en nationale markten. En ze bewijzen dat ze productiever en efficiënter kunnen zijn dan de grote, industriële exportbedrijven. Onderzoek in tropisch Latijns-Amerika wijst uit dat boeren die meer gewassen op één zelfde veld verbouwen, een veel voorkomende praktijk aldaar, opbrengsten realiseren die twintig tot zestig procent hoger zijn dan bij monocultuur. Ze creëren bovenop meer werkgelegenheid zodat veel meer mensen er een goed inkomen aan overhouden. Terwijl de grootschalige agro-industrie de boeren laat uitsterven en de naburige steden laat verkommeren, scoort een performante familiale landbouw onvergelijkbaar beter. Hij draagt in grotere mate bij aan de economische ontwikkeling en de welvaart in de streken waar hij het voortouw mag nemen omdat hij zijn inkomen vooral in eigen streek spendeert. Zo komt het dat waar vooral familiale bedrijven bloeien, ook de omliggende steden floreren: er zijn meer lokale handelszaken, meer aangelegde straten en trottoirs, meer scholen, parken, kerken, clubs, kranten, een betere dienstverlening, een hogere werkgelegenheid en een grotere participatie van burgers aan het gemeenschapsleven. Zo blijkt uit studies waarvan de oudste teruggaat tot het Californië van de jaren veertig van vorige eeuw. Nog is het niet gedaan, want als zulke landbouw ecologisch tewerk gaat, zorgt die ook beter voor het milieu. Een agro-ecologische landbouw minimaliseert namelijk de inputs van buitenaf aan geïmporteerd veevoer, chemische meststoffen of pesticiden tot het uiterste. Zijn energiebalans is veel positiever, hij springt zuiniger om met de schaarse watervoorraden en verhoogt de vruchtbaarheid van gronden… en brengt toch meer op dan de moderne high tech landbouw die volledig steunt op externe inbreng.
En dus kunnen we best gelukkig zijn met deze aangename waarheid: de familiale landbouw kan de wereldbevolking voeden, morgen en over vijftig jaar, en dat op een duurzame wijze. Dat is de kracht van een boerenlandbouw.

De rol van overheden

De oplossing is simpel inderdaad. Alleen moeten dan wel enkele belangrijke voorwaarden vervuld raken. Zo moeten overheden eindelijk hun verantwoordelijkheid nemen. De wereld moet nu echt kiezen voor deze familiale landbouw en tegen een agro-industriële landbouw die geen plaats laat voor boeren, dat is de echte groene revolutie. Er is een globaal landbouwbeleid nodig waarbij landen en regio’s het recht hebben om zulke landbouw op poten te zetten en erin te investeren. Ook al is de huidige wereldconjunctuur die het belang van landbouw herontdekt gunstig, zoiets komt niet vanzelf. Na tientallen jaren van verwaarlozing in vele landen, zeker in Afrika, moeten overheden en samenlevingen dringend middelen vrijmaken voor een productieve landbouw.
Voorlopig is het niet probleem nummer één, maar er blijft zeker nood aan prijsstabiliteit en minimum leefbare prijzen in de landbouw. Overheden moeten opnieuw beseffen dat de markt, en zeker de wereldmarkt, voor voedsel niet zo goed werkt als voor auto’s of gsm’s. Je krijgt namelijk fel schommelende en doorgaans veel te lage prijzen. Daarom moet de markt versterking krijgen. Je moet maatregelen of mechanisme hebben die leefbare prijzen verzekeren en die de voedselvoorraden beheren, omdat ook de landbouwopbrengsten zelf sterk kunnen wisselen van oogst tot oogst.
Voor een goede economische ontwikkeling én voor duurzaamheid verdient lokale en regionale marktwerking voorrang boven de wereldmarkt.
Overheden moeten met andere woorden kunnen beschikken over voedselsoevereiniteit, het recht om hun landbouw in eigen handen te nemen, in plaats van hun landbouw en voedselproductie voortdurend verder te liberaliseren en over te leveren aan de wereldmarkt. Geloof niet dat zoiets een rem is op economische ontwikkeling, integendeel. Want dat is net wat alle rijke landen en wat de Europese Unie altijd hebben gedaan, dat is ook wat China heeft gedaan.
Als ze verstandig zijn, zullen overheden ook beseffen dat geen enkel beleid resultaat kan boeken indien het niet gebeurt in overleg en in volle samenwerking met de boeren en met hun organisaties.

Een duurzame keten, van boer tot supermarkt

Voedsel wordt niet enkel gekweekt, het moet ook verwerkt en verkocht raken. Dat is niet enkel een zaak van boeren, het is een lange economische keten. We zagen dat overheden hun rol te spelen hebben. En vanzelfsprekend dragen ook de bedrijven een cruciale verantwoordelijkheid, zowel de handelaars als de verwerkingsindustrie en de grootdistributeurs. Als ze werkelijk maatschappelijk verantwoord willen ondernemen, zullen ze natuurlijk financieel winstgevend moeten zijn. Maar evengoed zullen ze mee moeten waken over een sociaal en ecologisch duurzame landbouw. Essentieel is dat de boeren, die helemaal vooraan in de keten het voedsel voortbrengen, hun rechtmatige plaats krijgen. Ze moeten erover waken dat landbouwers loon naar werken krijgen en in goede omstandigheden kunnen boeren.
Koplopers tonen de weg. Zo sluit Alpro, een bedrijf uit de Vandemoortele groep, lange termijnovereenkomsten met zijn sojaboeren. Bovendien staat Alpro hen bij in hun productieproces en zorgt voor een vergoeding wanneer de oogst mislukt.
Zo krijgen een aantal kleine boeren van Unilever in Indonesië een hogere prijs dan de marktprijs. Daar is een goede reden voor want het bedrijf zit dringend verlegen om meer en betere zwarte sojabonen, een ingrediënt van de succesvolle zoete saus Kecap Bango. Daarom koopt Unilever rechtstreeks in bij de boeren om de kwaliteit te verbeteren, de productie te verhogen en de aanvoer te verzekeren. Die boeren profiteren mee: doordat de tussenhandelaars wegvallen krijgen ze een prijs die tien à vijftien procent hoger ligt. En zo verwerven ze een betere plaats in de productieketen.
We zijn niet naïef. Natuurlijk willen ook deze bedrijven winst blijven maken. Maar als ze én winst maken én boeren daarbij een plaats onder de zon kunnen geven, schieten we toch op.

Ofwel eten ofwel klimaatverandering bestrijden, een valse tegenstelling

De jongste jaren is de overtuiging gegroeid dat we energiegewassen, de zogenaamde biobrandstoffen, nodig hebben om klimaatverandering tegen te gaan. Nu al is duidelijk dat ontzettend grote hoeveelheden voedsel omgezet worden in brandstof voor onze auto’s. Ofwel eten hebben voor alle mensen, ofwel de opwarming tegengaan; ofwel voedsel hebben nu, ofwel de aarde bewaren voor toekomstige generaties, dit dilemma lijken we nu op ons bord te krijgen.
Maar zelfs in dit geval is de oplossing simpel. Dit dilemma bestaat niet, het is een valse tegenstelling. Want aan de ene kant is de huidige productie van energiegewassen – de eerste generatie – allerminst klimaatvriendelijk. Zij vernietigt o.a. het regenwoud in Brazilië en Indonesië en maakt zo enorme hoeveelheden broeikasgassen vrij. Aan de andere kant snelt onze duurzame familiale landbouw ons te hulp. Hij zorgt namelijk voor klimaatverkoeling want is veel CO2 neutraler dan de industriële landbouw.
We moeten dus stoppen met de concurrentie te organiseren tussen voedsel en energiegewassen. De absolute prioriteit vandaag is eten, niet energie. Trek dus de stekker uit de biobrandstofindustrie, vandaag eerder nog dan morgen. Met een voedselvoorraad van 40 dagen is het niet meer de moment om die keuze uit te stellen.
In tweede instantie moeten we heel kritisch kijken naar al het dierenvoer dat de wereld wordt rond gezeuld. Almaar meer vlees produceren vergt een veelvoud aan granen die niet meer beschikbaar zijn om te eten en de productie ervan gebeurt dikwijls niet zo milieuvriendelijk. Ook daarvoor sneuvelt veel regenwoud.

Goed bestuur maakt een groot verschil

Neem Zuid-Korea of Taiwan, nu allebei rijke landen. Neem Congo of Zambia, allebei straatarm. Hoe komt het toch dat die twee laatste amper vijftig jaar geleden welvarender waren dan de eerste twee. Zoek dus de verschillen, het is belangrijk om weten. Wel, Zuid-Korea en Taiwan hebben gekozen voor een vooral familiale en productieve landbouw gericht op de eigen noden. Dat heeft hen geen windeieren gelegd. Want hun landbouw heeft hen de kans verschaft om hun industrie op te bouwen. Hoe anders is het verlopen in zoveel andere landen, zeker in Afrika. Zelfs met nog amper zes procent van de werkende mensen die boer of boerin zijn, trekt industrieland Zuid-Korea nog altijd 13 procent van het overheidsgeld uit voor landbouw. De regeringen van Kameroen, Burundi of Soedan waar zeventig tot negentig procent van de mensen in de landbouw werken, goed voor bijna de helft van nationaal inkomen, spenderen minder dan twee procent van hun geld in die belangrijke economische sector.
Daar hoeft geen tekeningetje bij. In deze landbouwsamenlevingen laten de regeringen de boeren stikken. Meer dan eens gaat het ook om een botsing van belangen. Vele politici of hun families verdienen hun riante inkomsten omdat ze belang hebben bij een exportlandbouw of omdat ze de invoer controleren van rijst of ander voedsel uit het buitenland. Ook daarom verdedigen zij niet de belangen van de boeren.
De Afrikaanse landen hebben nu in de verklaring van Maputo beslist om tien procent van hun overheidsmiddelen in hun landbouw te gaan investeren. Als ze het echt doen, is dat niet slecht, maar het is wel nog veel te weinig. Zal dit hun industrialisering hypothekeren? Neen, net niet.

Een hoogdringend to do lijstje

Voedselonrust steekt snel de kop op, op het platteland en meer nog in de steden. Hoe zou je zelf zijn indien je honger hebt?
Al wat hierboven staat is nu dringend, maar wat meest van al? Een lijstje, om het niet te vergeten.
Aarzel geen seconde, maak meteen geld vrij voor het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties.
Vermijd daarbij de fouten van vroeger. Wanneer het Wereldvoedselprogramma en andere voedselhulpinitiatieven eten inkopen, dan moeten ze dat eerst lokaal en regionaal doen. Zo bezorgen ze de landbouwers ter plaatse of in de ruimere regio een beter inkomen en ze stimuleren hen meteen tot een hogere productie.
Haal nu eindelijk landbouw en voedselproductie weg bij de Wereldhandelsorganisatie en uit de vrijhandelsakkoorden die o.a. Europa en de Verenigde Staten aan het sluiten zijn. Want eten is geen koopwaar zoals alle andere.
Geef daarom de fakkel door aan de Wereldvoedselorganisatie FAO, bezorg hen het mandaat om te zorgen voor een duurzame landbouw in de wereld.
Ten slotte, voor alle rijke landen, voor de internationale financiële instellingen en hulporganisaties, maak nu eens werk van het optrekken van de budgetten voor landbouw in de internationale samenwerking.

Jan Aertsen
Directeur Vredeseilanden
15/04/08

Je kan dit artikel hier downloaden, om te lezen of uit te printen.

Wenst u hierover iemand te interviewen:

Bel Vredeseilanden: 016/31.65.80

Achtergrondinformatie:

Barrez Dirk, Koe 80 heeft een probleem. Boer, consument, agro-industrie en grootdistributie, EPO i.s.m. Vredeseilanden e.a., 2007, 254 p.

www.vredeseilanden.be

www.pala.be

Altieri Miguel en Nicholls Clara, Agroecology And The Search For A Truly Sustainable Agriculture, University of California, Berkeley, 2005, 291 p., zie o.a. p.150-151

http://www.agroeco.org/doc/agroecology-engl-PNUMA.pdf

FAO, Low-Income Food-Deficit Countries’ food situation overview, april 2008

http://www.fao.org/docrep/010/ai465e/ai465e07.htm

DFID, Heath John, 2005 agriculture policy: an interim evaluation, 2007, 70 p., zie o.a. p.68

http://www.dfid.gov.uk/aboutdfid/performance/files/ev672.pdf

Clay Jason e.a., Exploring The Links Between International Business And Poverty

Reduction: A Case Study Of Unilever In Indonesia, Oxfam GB, Novib Oxfam

Netherlands & Unilever, 2005, 67 p.

http://www.oxfam.org.uk/resources/policy/trade/downloads/unilever.pdf

Written by hallometsteven

april 25, 2008 at 7:55 am